Kenmerkend aspect 27 (7) (examen) (H/V)

Kenmerkend aspect 27: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen bij tijdvak 7: Pruiken en Revoluties.

De Verlichting is een geestelijke stroming die ontstond in de late 17e eeuw en duurde tot het einde van de 18e eeuw, met als kernidee dat de mens door rationeel denken (door het gebruik van de rede) zichzelf en de samenleving kan begrijpen en verbeteren.

Voorlopers van de Verlichting

De Verlichting heeft haar wortels in de Renaissance en in de wetenschappelijke revolutie.

De Renaissance (16e eeuw) bracht het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling, met name het ontstaan van een zelfstandige en kritische manier van denken/kijken, dus niet alles wat aan kennis is overgeleverd en wat de Kerk zegt voor waar aannemen, maar zelf onderzoek doen.

Wetenschappelijke revolutie (17e eeuw): sinds de vele ontdekkingen op natuurwetenschappelijk gebied was het vertrouwen in het eigen verstand sterk gegroeid. Dit bracht op zijn beurt weer optimisme: door rationeel te denken en met behulp van de techniek kan je de wereld naar je hand zetten (rationeel optimisme). Wetenschap werd zelfs een hobby van burgers en edellieden. De wetenschappelijke revolutie inspireerde schrijvers en wetenschappers om ook op een wetenschappelijke manier naar de mens en de samenleving te kijken. De oudere gedachte dat de sociale verhoudingen door God gegeven waren en daarmee onveranderbaar, werd verlaten.

De naam ‘Verlichting’ en de verlichtingsidealen

  • De term ‘Verlichting’ dateert uit de 18e eeuw. Met ‘verlicht’ wordt bedoeld dat de mens zich als het ware bevrijd (verheft) uit de ‘duisternis’ van onwetendheid door op zijn eigen verstand te vertrouwen en zijn lot in eigen hand te nemen. De Duitse filosoof Kant vatte de Verlichting samen in het motto “durf te weten”.
  • De verlichters streden tegen allerlei misstanden die in de 17e en 18e eeuw nog veel voorkwamen zoals godsdienstvervolging, heksenverbranding, slavernij en censuur. Ze verzetten zich tegen bijgeloof en waren erg kritisch over het opdringen van waarheden waarvoor geen bewijs bestond (dogma’s), zoals de kerk dat volgens hen deed.
  • Mensen moesten de kans krijgen om zich te ontplooien tot volwaardige en verstandige burgers, en daarvoor hadden zij toegang tot kennis nodig. Verlichters legden daarom grote nadruk op het belang van opvoeding en onderwijs. Onderwijs werd gezien als dé manier om mensen op te voeden tot rationeel denkende en nuttige burgers (“opvoeden tot zedelijkheid”, zoals verlichters in Nederland het toen noemden).

  • Toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen

    De verlichters vonden vrijheid het belangrijkste begrip: vrijheid om je eigen mening te vormen en uit te dragen, vrijheid om te geloven wat je wilt, vrijheid om handel te drijven met wie je maar wil. Op het gebied van de sociale verhoudingen waren verlichters in meer of mindere mate voorstander van gelijkheid.

    Godsdienst

    Voltaire (1694-1778) was geen atheïst (iemand die het bestaan van God verwerpt). Hij geloofde wel in het bestaan van een god maar hij zag godsdienst als mensenwerk. Voltaire staat model voor de verlichters die geloof en rationalisme combineerden in een ‘mechanisch wereldbeeld’: God had de mens de wereld en de natuurwetten geschapen, maar bemoeide zich na de schepping niet meer met de wereld. Deze zienswijze staat bekend als het deïsme.
    Verlichte denkers vergeleken de verschillende religies in de wereld met elkaar. Uit deze vergelijking trokken zij de conclusie dat het christendom niet uniek was. Het ene geloof staat niet hoger dan het andere, en daarom moet er verdraagzaamheid zijn tussen religies.

    Politiek

    De verlichters verwierpen de absolute macht van de vorsten die de vrijheid van het individu inperkte. Dit betekende overigens niet dat alle verlichters voorstander waren van een democratie of dat ze vonden dat mensen in alle opzichten gelijk waren of moesten zijn. Wel deelden ze de opvatting dat de wetten voor iedereen gelijk moeten zijn.

    John Locke (1632 – 1704) droeg de opvatting uit dat alle mensen natuurlijke rechten bezitten: rechten die voor ieder mens gelden en die niet geschonden mogen worden door de overheid.

    Locke stelde dat de vorst niet boven de wet staat. De vorst heeft de taak het volk te beschermen en te zorgen voor het welzijn van de mensen. Doet een vorst dat niet, dan heeft het volk het recht om de regering af te zetten. Locke was hiermee een vroege pleitbezorger van de gedachte van volkssoevereiniteit: het hoogste gezag (de soevereiniteit) ligt niet bij de vorst maar bij de burgers.

    Montesquieu (1689-1755) werkte de opvatting uit dat de vorst niet in zijn eentje over alles beslist. Daarom is een scheiding der machten (Trias Politica) noodzakelijk: uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht moeten in verschillende handen zijn (het parlement moet de wetgevende macht hebben en de koning alleen de uitvoerende macht).

    Terwijl Locke, Voltaire en Montesquieu het burgerschap (dat politieke rechten geeft) het liefste beperkten tot de welgestelden in de maatschappij, ging Rousseau (1712-1778) een stap verder. Rousseau zag het gehele volk als burger. Rousseau was dus radicaler in de uitwerking van de verlichtingsdenkbeelden. Hij ging zelfs zo ver om te beweren dat de staat de ´algemene wil´ van het volk moet uitvoeren. Onduidelijk in deze opvatting van Rousseau is wie het beste weet wat deze ‘algemene wil’ inhoudt: Rousseau stelde alleen dat de algemene wil bepaald wordt door ‘de meerderheid’ van de burgers die in het ideale geval samen de beslissingen nemen. Echter, een dictator zou zich erop kunnen beroepen dat hij het beste weet wat het volk wil, zodat hij in de naam van het volk een alleenheerschappij kan rechtvaardigen. Verzet tegen de wil van het volk zou immers ongepast zijn.

    Sociale verhoudingen

    De verlichters bekritiseerden de grote verschillen die in 18e eeuw bestonden tussen groepen mensen:

  • de standensamenleving. Dit type samenleving gaf voorrechten aan de adel en de geestelijkheid en stelde de derde stand (boeren, stedelijke burgerij) achter. Verlichte denkers zagen Engeland als een betere samenleving omdat de geestelijkheid en de adel daar wél belasting betaalden (dit in tegenstelling tot Frankrijk waar alleen de derde stand belasting betaalde).
  • de slavernij en de slavenhandel. Voltaire en Montesquieu wierpen zich op als tegenstanders van de slavernij. Volgens hen bestond er geen rechtvaardiging om zwarte mensen als een mindere mensensoort te behandelen. De Verlichting inspireerde zo de opkomst van de antislavernijbeweging (het abolitionisme) in de 18e eeuw. De leuze waarmee deze beweging propaganda voerde voor een gelijke behandeling van zwarte mensen luidde “Am I not an man and a brother?”.

  • Economie

    In de 2de helft van de 17e eeuw en in de 18e eeuw controleerden Engeland en Frankrijk de economie van hun land. Zij beschermden de eigen markt door de export te stimuleren en de import van goederen af te remmen. Deze economische politiek staat bekend als het mercantilisme. De Schotse econoom Adam Smith (1723 – 1790) bekritiseerde het mercantilisme en werd daarmee de bekendste pleitbezorger van economische vrijheid:

  • Smith stelde dat arbeidsverdeling (ook tussen landen) het belangrijkste middel is voor productiviteitsverhoging. Om de markt zo groot mogelijk te maken was vrijhandel noodzakelijk.
  • Smith wordt gezien als voorloper van de 19e eeuwse liberalen. Hij stelde namelijk dat eigenbelang de voornaamste drijfkracht is bij economisch handelen; als iedereen dit nastreeft zorgt een ‘onzichtbare hand’ voor het algemeen belang. De staat moet zich beperken tot leger, politie en het uitvoeren van publieke werken. Deze opvatting is terug te vinden in de 19e eeuwse idee van de nachtwakersstaat.

  • Verspreiding van de verlichte denkbeelden

    De Verlichting was niet alleen een bezigheid van vooraanstaande schrijvers en filosofen. Evenmin was de Verlichting alleen een verzameling ideeën en opvattingen. In feite groeide de Verlichting in de 18e eeuw uit tot een culturele beweging. Vele geletterde burgers lieten zich inspireren door de verlichte denkbeelden. Zij droegen deze denkbeelden uit in brieven, pamfletten, tijdschriften, kranten, maar ook in koffiehuizen en in de meer deftige salons van invloedrijke dames die ‘avondjes’ organiseerden waar druk gediscussieerd werd.

    Verlichte burgers vonden dat kennis verzameld en verspreid moest worden. Het bekendste voorbeeld daarvan is de Encyclopédie (eigenlijk de eerste wiki maar dan op papier) waarin verlichte Franse schrijvers alle recent verworven kennis samenbrachten. Daarnaast richtten geletterde burgers organisaties en wetenschappelijke verenigingen (genootschappen) op die deze verspreiding van kennis mogelijk maakten. Dit alles had tot gevolg dat steeds meer burgers betrokken raakten bij de politiek.

    De Verlichting zou een wegbereider worden van de democratische revoluties (kenmerkend aspect 7.2) die plaatsvonden in de tweede helft van de 18e eeuw, en van de democratieën die ontstonden in de 19e eeuw.

    The following two tabs change content below.
    Mike Hoffmann
    Ik ben docent geschiedenis op het 's Gravendreef College en ik woon in Schiedam. Ik hou erg van lezen, het spelen van computergames, het maken van websites en het kijken van voetbal. In mijn vrije tijd zit ik dan ook veel met mijn neus in de boeken of ben ik bezig op de computer.