Kenmerkend aspect 34 (8) (examen) (H/V)

Kenmerkend aspect 34: De opkomst van emancipatiebewegingen bij tijdvak 8: Burgers en Stoommachines.

Na 1848 regeerden de liberalen in Nederland. De liberalen vormden de bevoorrechte klasse. Het censuskiesrecht beperkte het aantal stemgerechtigde burgers tot zo’n 11% van de bevolking. Hierdoor waren grote groepen in de samenleving geen volwaardig burger. Zij hadden nauwelijks politieke rechten. De belangrijkste achtergestelde groepen waren:

  • katholieken
  • orthodox protestanten (‘de kleine luyden’)
  • arbeiders

  • Na 1870 speelden een aantal grote politieke kwesties in Nederland die bovengenoemde achtergestelde groepen stimuleerden om op te komen voor hun politieke rechten. Zij vormden emancipatiebewegingen. Hiermee wordt bedoeld dat achtergestelde groepen zich politiek en maatschappelijk gingen organiseren, met name door het oprichten van politieke partijen en vakbonden. De confessionelen en de socialisten waren de belangrijkste emancipatiebewegingen.

    Ook het feminisme kan als emancipatiebeweging worden beschouwd. Belangrijk strijdpunt in de zogenaamde ‘eerste feministische golf’ was het realiseren van vrouwenkiesrecht.

    De grote politieke kwesties die de vorming van emancipatiebewegingen stimuleerden waren de schoolstrijd, de kiesrechtkwestie en de sociale kwestie. Laatstgenoemde kwestie wordt in het volgende kenmerkend aspect behandeld.

    De schoolstrijd

    In Nederland bestond vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs maar de overheid gaf alleen financiële subsidie aan neutrale scholen. Als protestanten en katholieken eigen scholen wilden oprichten was dit mogelijk, maar dit bijzonder onderwijs kwam niet in aanmerking voor overheidssubsidie. De schoolstrijd zou de confessionelen stimuleren om zich politiek te organiseren. Deze kwestie maakte bovendien de katholieke en de orthodox protestanten, die elkaar eeuwen lang hadden verketterd, voor het eerst tot politieke bondgenoten.

    De kiesrechtkwestie

    Tussen 1870 en 1914 zijn er eindeloze discussies gevoerd over de vraag in welk tempo en op basis van welke criteria het kiesrecht moest worden uitgebreid. Tot twee keer toe werd het kiesrecht beperkt uitgebreid, in 1887 en in 1896. De in deze periode opgerichte confessionele en socialistische partijen profiteerden van deze uitbreidingen van het kiesrecht. Maar de confessionele partijen maakten zich pas na 1900 sterk voor algemeen kiesrecht. De liberalen raakten sterk verdeeld over de uitbreiding van het kiesrecht.

    Belangrijkste politieke partijen die in de late 19e eeuw ontstonden in Nederland

    PartijLeiderIdeeën
    ProtestantenARP (1878)Abraham Kuyper
  • Gelijkstelling bijzonder onderwijs aan openbaar onderwijs

  • Uitbreiding kiesrecht
  • SocialistenSDAP (1894)Pieter Jelles TroelstraSDAP wilde de positie van arbeiders verbeteren via het parlement: algemeen kiesrecht.

    De pacificatie

    Na 1900 werden de tegenstellingen tussen de politieke partijen in Nederland minder scherp. In 1917 werden alle partijen het eens over een grondwetswijziging waarin de schoolstrijd en de kiesrechtkwestie tegelijk werden opgelost:

  • openbaar en bijzonder onderwijs kwamen nu beiden in aanmerking voor overheidssubsidie (financiële gelijkstelling).
  • het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd (het algemeen vrouwenkiesrecht werd twee jaar later geregeld).


  • Deze grondwetsherziening van 1917 staat bekend als de pacificatie (pacificeren betekent vrede sluiten, tot rust brengen).