Kenmerkend aspect 36 (8) (examen) (H/V)

Kenmerkend aspect 36: De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie bij tijdvak 8: Burgers en Stoommachines.

Sinds de ontdekkingsreizen van de 15e en de 16e eeuw stichten Europese staten overzeese nederzettingen in minder ontwikkelde delen van de wereld. Soms waren deze koloniën echte volksplantingen, wat inhoudt dat Europeanen migreerden om elders een nieuw bestaan op te bouwen (bijvoorbeeld de Engelsen aan de Noordoost kust van Noord-Amerika). In Azië waren vooral semi-particuliere ondernemingen (compagnieën zoals de VOC in de Indonesische archipel) actief die handelsposten in kustgebieden opzetten. Rond 1800 had Engeland veruit het grootste koloniale rijk. Dit rijk werd het British Empire genoemd (imperium = wereldrijk). Het woord ‘imperialisme’ in de betekenis van stichting of uitbreiding van een koloniaal rijk vond na 1860 zijn weg in het taalgebruik. Wat maakte dit ‘isme’ nu zo anders dan de eerdere expansie van Europa voor de 19e eeuw?

In de 19e eeuw vonden er een aantal nieuwe ontwikkelingen plaats:

1. In Azië namen de overheden van Engeland en Nederland de rol van de compagnieën over. Deze staten gingen nu dus zelf hun koloniën besturen. Er kwamen ambtenaren uit het moederland die de bestuurstaken op zich namen. Het koloniale gebied werd uitgebreid en stukje bij beetje werden ook de binnenlanden onder bestuur van het moederland geplaatst. Hiervoor moesten wel eerst de nodige oorlogen worden gevoerd. Op deze manier legden de regeringen van Engeland en Nederland de basis voor de ontwikkeling van de koloniën Brits-Indië en Nederlands-Indië, bestuurd door een ministerie van koloniën. Frankrijk volgde later in de 19e eeuw met de kolonie Indo-China (het huidige Vietnam, Laos en Cambodja).

2. De keizerrijken China en Japan, die zich tot in de 19e eeuw van de buitenwereld hadden afgesloten en in een isolement verkeerden, werden met militair geweld ‘opengebroken’ door de westerse landen. Beide rijken werden niet tot kolonie gemaakt, maar de westerse landen eisten wel de mogelijkheid om vrij te handelen (Open Door-policy).

3. Tussen ca. 1870 en 1914 ontstond er een soort wedloop tussen Europese staten (ook Japan en de VS mengden zich in de race) wie zo snel mogelijk de meeste nieuwe koloniën (dan wel protectoraten of politieke of economische invloedssferen) kon vergaren. De nieuwe koloniën werden vooral gezocht in de Pacific en in Afrika. Maar ook in Azië gingen Engeland, Frankrijk en Nederland in versneld tempo door met het uitbreiden van hun koloniaal bezit. Met name deze ontwikkelingen tussen 1870 en 1914 zijn bekend geworden als het modern imperialisme.

De scramble for Africa

Het meest spectaculaire voorbeeld van modern imperialisme was de verdeling van Afrika. Afrika was in het begin van de 19e eeuw nog grotendeels onbekend gebied. De Europese landen hadden er tot 1870 nauwelijks bezittingen (met uitzondering van de Engelse Kaapkolonie). Daarna ontspon zich een wedloop waarbij de Europese landen in twintig jaar tijd (van 1881 tot 1902) geheel Afrika onderling verdeelden. De Conferentie van Berlijn (1884-1885) wordt vaak genoemd als bepalend moment voor deling van Afrika. Tijdens deze conferentie zouden de Europese wereldleiders Afrika verdeeld hebben door met potlood en liniaal de grenzen te tekenen die tot de dag van vandaag de kaart van Afrika typeren (en nog steeds voor veel strijd zorgen). Deze voorstelling van zaken is onjuist. De conferentie beperkte zich grotendeels tot het regelen van claims die Europese landen legden op de nog niet verdeelde kustgebieden.

Met één uitzondering: de conferentie maakte de geboorte mogelijk van de meest omvangrijke kolonie in Afrika, de Kongo-Vrijstaat, die in omvang twee keer het gebied van West-Europa bedroeg. De Kongo-Vrijstaat was anders als de andere koloniën in Afrika: geen kolonie met een moederland, maar eigendom van één persoon, koning Leopold II van België. Leopold maakte van de Kongo een privéonderneming waarin de Kongolezen gedwongen werden zoveel mogelijk rubber te leveren voor de Europese industrie. De rubberwinning heeft aan miljoenen Kongolezen het leven gekost. Toen de wantoestanden in Kongo wereldwijd bekend raakten, moest Leopold in 1908 zijn kolonie overdragen aan de Belgische regering.

Oorzaken van het modern imperialisme

  • Technologische ontwikkelingen als voorwaarde: zonder de komst van de spoorwegen, de stoomboot en moderne communicatiemiddelen zoals de telegraaf was het modern imperialisme niet mogelijk geweest. In dit verband is de opening van het Suezkanaal in 1869 een belangrijke gebeurtenis. De zeeroute naar de kolonies in Azië en langs de Afrikaanse westkust werd er aanzienlijk door bekort.
  • Verband tussen modern imperialisme en industriële revolutie: enerzijds konden de koloniën voorzien in de behoefte aan industriële grondstoffen zoals olie, rubber en katoen, anderzijds werden koloniën noodzakelijk geacht als afzetgebied voor de industriële producten. De behoefte van Europese landen aan beschermde afzetgebieden voor de eigen industrie gold met name voor de periode 1873-1896 toen zich een langdurige economische depressie voordeed.
  • Politieke motieven: het bezit van koloniën werd beschouwd als een teken van macht. Met koloniën konden de westerse landen een grotere rol spelen in de wereldpolitiek. Het bezit van koloniën werd nu ook direct van invloed geacht op de machtsverhoudingen in West-Europa zelf.
  • Nationalistische motieven: koloniën gaven het moederland en zijn bevolking status en prestige. Europese landen konden dus niet bij elkaar achterblijven.
  • Ethische motieven. Europeanen vonden al langer dat zij het recht hadden buiten-Europese volken te overheersen. Deze houding veranderde in de 19e eeuw. Het overheersen werd nu door velen ook als een verplichting gezien, als een hogere missie: de verspreiding van beschaving en christendom naar minder ontwikkelde delen van de wereld, soms ook het bevrijden van inheemse volken van de tirannie van plaatselijke vorsten. Dit gebeurde vanuit het besef dat de Europeaan op een hogere trede van de beschaving staat: de blanke was de “de oudere en wijze”, de onontwikkelde volken waren de “kinderen”. De Engelse schrijver Kipling verwoordde deze mentaliteit in het gedicht The White Man’s Burden (De last van de blanke), gepubliceerd in 1899.


  • Zijn de hierboven genoemde oorzaken algemeen van aard, de redenen om een imperialistische politiek te voeren konden verschillen van land tot land, en van periode tot periode. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Nederlandse bemoeienis met Nederlands-Indië.

    Nederlands-Indië

    Tussen 1830 en 1870 werd Nederlands-Indië eigenlijk alleen als inkomstenbron gezien. Echter, de kolonie was aanvankelijk vooral een kostenpost. Om voldoende inkomsten te genereren werden inlandse boeren op Java verplicht op een deel van hun akkers producten te verbouwen voor de Nederlandse staat (het cultuurstelsel). Het verhandelen ervan werd een staatsmonopolie. Na 1870 werd de handel vrijgegeven. Rond 1900 ontstond de gedachte dat Nederland iets terug moest doen. De Nederlandse regering startte toen een “ethische politiek” die moest leiden tot een toename van de welvaart van de inlandse bevolking zelf. Het voorzien in basisonderwijs was een belangrijk onderdeel van deze politiek.

    Gevolgen van het modern imperialisme

  • De “race” om zoveel mogelijk koloniën te verkrijgen vergrootte het wantrouwen tussen de Europese staten (“als de ander meer koloniën krijgt wordt die sterker dan ons”). Deze wedloop werd daarmee een indirecte oorzaak van uitbreken van Eerste Wereldoorlog.
  • Koloniën in Afrika en Azië werden meer afhankelijk van Europa. De bevolkingen van de koloniën werden ook op allerlei manieren ingeschakeld ten behoeve van de moederlanden, bijvoorbeeld als arbeidskracht of als soldaat.